Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Financiële Vaardigheid De Belegger Behavioural Finance De belangrijkste thema's van Behavioural Finance

De belangrijkste thema's van Behavioural Finance

Er zijn vier kernthema's binnen Behavioural Finance: Zelfoverschatting, Financiële cognitieve dissonantie, Spijt theorie en Prospect theorie

Er zijn vier drijfveren binnen het studiedomein van de Behavioural Finance die verklaren waarom beleggers niet altijd perfect rationele beslissingen nemen. Deze vier onderliggende thema's zijn: zelfoverschatting, financiële cognitieve dissonantie, spijt theorie en prospect theorie.

Zelfoverschatting

Mensen hebben vaak de neiging om hun eigen kennen en kunnen te overschatten en te positief te oordelen over de kansen op een toekomstig succes.

 

Ook beleggers lijden aan zelfoverschatting en zijn vaak niet geneigd om te leren uit hun gemaakte fouten. Dat geldt overigens vaak meer voor mannelijke beleggers dan voor vrouwelijke beleggers. Door hun zelfoverschatting blijken mannen vaker te handelen (met hogere transactiekosten als gevolg) en de markt vaker verkeerd te timen dan vrouwen dewelke vaker een “buy-and–hold”-strategie aanhouden. Een belangrijke tip om betere resultaten te bekomen is immers om "voldoende geduld te hebben".

 

Financiële cognitieve dissonantie

Cognitieve dissonantie is een concept uit de psychologie wat er op duidt dat men bepaalde opvattingen, attitudes of gedragingen heeft die eigenlijk niet met elkaar te rijmen zijn. Aangezien deze tegenstrijdige opvattingen en gedragingen een onaangenaam gevoel creëren, gaat men automatisch proberen om zijn manier van denken en redeneren zo aan te passen dat deze tegenstrijdigheid verkleind en aanvaardbaar wordt. Kortom, het is een onaangename spanning die ontstaat omdat men beseft dat men er tegenstrijdige opvattingen op na houdt. Om deze spanning weg te nemen, wijzigt men bijgevolg zijn handelingen of denken.

Enkele voorbeelden:

  • Men beseft dat roken schadelijk is voor de gezondheid maar men blijft toch roken want men kent tenslotte een paar mensen die al rokend meer dan tachtig jaar geworden zijn;
  • Men rijdt zijn auto perte totale maar dat is toch niet erg want het was een oudere wagen die men toch ging vervangen.

 

Financiële cognitieve dissonantie verwijst naar het concept van cognitieve dissonantie in een financieel kader. Tijdens de zogenaamde internetbubbel, aan het begin van deze eeuw, rechtvaardigden beleggers de aankoop van internetbeleggingsfondsen - die rationeel gezien niet gegrond was - door te wijzen op het wijdverbreide gevoel dat sprake was van een nieuwe economie met nieuwe regels. Kuddegedrag speelt hier een belangrijke rol: als iedereen om je heen ergens van overtuigd is, moet je sterk in je schoenen staan om vast te houden aan een afwijkende mening.

 

Spijttheorie

De spijttheorie gaat er enerzijds van uit dat mensen spijt kunnen ervaren als gevolg van een slechte beslissing maar dat mensen anderzijds bij het maken van hun keuzes anticiperen op deze spijt en daardoor deze trachten te minimaliseren. De spijttheorie verklaart dan ook de emotionele reactie van mensen als deze een verkeerde beslissing hebben genomen.

 

Zo pinnen beleggers zich vaak vast op de prijs waaraan ze een aandeel hebben gekocht en hebben ze heel veel moeite om het aandeel te verkopen indien het onder de aankoopprijs staat. Immers, dan zou men met verlies verkopen en dat doet men niet graag omdat men zo zijn foute beslissing moet toegeven. Daarom zal men liever trachten om eerst een deel van dat verlies te recupereren. Zo ook hebben beleggers vaak grote moeite om ooit veelbelovende maar gedurende langere tijd slecht presterende beleggingen te verkopen omdat zij hiermee opnieuw dat ze eerder een slechte beslissing hebben genomen.

Verder verklaart de spijttheorie waarom beleggers vaak kiezen voor ‘het snoepje van de week’. Dat doen namelijk veel beleggers en omdat « gedeelde smart, halve smart is », doet het minder pijn als de belegging achteraf niet aan de verwachting voldoet.

 

Prospect theorie

De prospect theorie handelt over het inschatten van kansen en risico's. Zo zijn mensen niet goed in het analyseren van ingewikkelde situaties en vooral niet als de toekomstige gevolgen onzeker zijn. Eén van de gevolgen is dat mensen vaak de neiging hebben om kleine waarschijnlijkheden te overschatten en grote waarschijnlijkheden te onderschatten.

 

Vertaald naar beleggers betekent dit dat, wanneer beleggers geconfronteerd worden met een kans op verlies (wat vaak een kleine kans is), zij dit risico vaak overschatten en daardoor een minder goede oplossing kiezen.

Een voorbeeld: rationeel gezien zou een belegger eerder moeten kiezen voor een investering die hem 80% kans biedt op 7.000 EUR en 20% op 0 EUR dan voor een investering die hem met 100 % zekerheid 5.000 EUR oplevert. Immers de verwachte opbrengst van de eerste investering is 5.600 EUR (zijnde (80 % * 7.000 EUR) + (20 % * 0 EUR)) daar waar de verwachte opbrengst van de tweede investering 5.000 EUR is. Toch blijkt in de praktijk dat beleggers zich, door de beperkte kans op 0 EUR, zo risicomijdend gaan gedragen dat zij geen goede rendementsberekening maken en dus vaker voor de tweede investering kiezen.

Anderzijds verklaart dit ook waarom mensen aan kansspelen mee doen want bij dergelijke spelletjes overschatten mensen de kleine waarschijnlijkheid op een succes.