Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Financiële Vaardigheid De Financiële Markten Algemeen overzicht van de financiële markten Werking van de geldvoorziening en de rentevorming

Werking van de geldvoorziening en de rentevorming

Een omschrijving van de werking van de geldvoorziening en de rentevorming.

Werking van de geldvoorziening in de financiële markten en de rentevorming

Geldhoeveelheid

De econoom Fisher publiceerde reeds in 1911 een macro-economische vergelijking die handelt over de geldhoeveelheid.

Deze vergelijking is:     M * V = P * T

En hierbij geldt:

  • M = de totale geldhoeveelheid;
  • V = de omloopsnelheid van het geld (zijnde hoe vaak wordt een munt of bankbiljet binnen een bepaalde tijdspanne van hand naar hand doorgegeven);
  • P = het gemiddelde prijsniveau (zijnde de inflatie - wat een maatstaf is voor de reëlle waarde voor het geld);
  • T = het handelsvolume (zijnde de totale handelshoeveelheid verkocht - wat een maatstaf is voor de productiviteit).

Verder kan beargumenteerd worden dat de omloopsnelheid van het geld constant is. Immers, om V te wijzingen dient de betalingsgewoonte van de mensen te veranderen (wat niet zal gebeuren in een kortere tijdsspanne). Er bestaat dus een link tussen de geldhoeveelheid en de inflatie.

 

Geldvraag en geldaanbod bepaalt de rente

Economisch gezien bestaat er ook een link tussen de geldhoeveelheid en de interestvoet.
→ De vraag naar geld is omgekeerd evenredig met de rente. Immers, hoe hoger de rente, hoe minder geld men wil opnemen (want hoe hoger de kosten die men er voor moet betalen).
→ Het aanbod van geld is rechtevenredig met de rente. Immers, hoe hoger de rente, hoe meer geld men wil aanbieden (want hoe hoger de vergoeding die men er voor ontvangt).

De rente waarbij de vraag naar geld en het aanbod van geld aan elkaar gelijk zijn, geeft de evenwichtsituatie weer en dus ook de rente in de markt.

 geldvraag - geldaanbod

 

Monetaire beleid van de Centrale Bank

De eerste vergelijking van Fisher toonde aan dat er een sterk verband is tussen de totale geldhoeveelheid en de inflatie! Daarnaast bestaat er de economische wisselwerking tussen de totale geldhoeveelheid en de rente.

De Centrale Bank kan dan ook mee de inflatie en de rente sturen door de geldhoeveelheid te wijzigen (immers, het aantal bankbiljetten in omloop valt onder de verantwoordelijkheid van de centrale bank). Echter, dit dient doordacht te gebeuren want een verhoging van de geldhoeveelheid, verlaagt de rentevoet maar indien de geldhoeveelheid te snel/te hard stijgt verhoogt dit ook de inflatie. De Centrale Bank heeft dan ook een moeilijke taak om beslissingen te nemen die het monetaire systeem liefst overal ten goede komen.

verhoging geldaanbod

 

Soorten rente

Zoals hierboven aangehaald vormt de interbancaire markt de toplaag van de deviezenmarkt. Op deze interbancaire markt lenen banken op internationaal niveau valuta's aan elkaar uit over een korte termijn. Hierdoor kunnen de banken met een korte termijn tekort dit aanvullen door gelden te krijgen van banken met een overschot. Dit laat banken toe om hun liquiditeiten te beheersen en te voldoen aan de kapitaalseisen die aan hun gesteld worden. De vergoeding voor deze kortlopende leningen tussen banken wordt interbancaire rente genoemd. Deze rente wordt bepaald door de beschikbaarheid van kapitalen op de interbancaire markt en de looptijd van het kortlopende krediet.

De rente die op de geldmarkt verbonden is aan de korte termijn schuldvorderingen noemt men de korte termijn rente.

De rente die op de kapitaalmarkt verbonden is aan de langere termijn schuldvorderingen noemt men de lange termijn rente.

 

In normale economische omstandigheden is de interbancaire rente < korte termijn rente < lange termijn rente. Echter, in uitzonderlijke omstandigheden kan deze situatie wel wijzigen. Zo was in de voorloop naar de financiële crisis van eind 2008 het vertrouwen tussen de banken onderling zo ver zoek dat de interbancaire rente opliep tot 8% à 9%. De Europese Centrale Bank kan natuurlijk wel altijd ingrijpen om het vertrouwen te herstellen door gelden ter beschikking te stellen voor banken aan een veel lagere rentevoet.

 

Nominale rente versus reële rente

Dezelfde econoom Fisher publiceerde eveneens een vergelijking die stelt dat: (1 + nominale rente) = (1 + inflatie) * (1 + reële rente).
Deze vergelijking is intuïtief makkelijker te begrijpen aangezien ze stelt dat de nominale rente verminderd dient te worden met de inflatie om een beeld te krijgen van de reële rente.
Bv. als u 100 EUR op een spaarboekje plaats en u krijgt hierop 3% nominale rente, dan heeft u 1 jaar later 3 EUR meer. Echter, indien gedurende dit jaar de inflatie ook met 2% gestegen is, dan bent u in realiteit slechts 1 EUR rijker.

Opmerking: technisch gezien is in het bovenstaande voorbeeld de stijging in echte rijkdom gelijk aan 1,0098 euro (gezien volgens de formule geldt 1,03 = 1,02 * 1,0098).
Als benadering zal men echter vaak stellen dat nominale rente ≈ inflatie + reële rente.

 

Mogelijke contra intuïtieve opvattingen omtrent rente

Dit kan voor een beginnende belegger misschien contra intuïtief klinken maar de waarde van een obligatie stijgt indien de waarde van de marktrente daalt (en omgekeerd: de waarde van een obligatie daalt als de marktrente stijgt).

De economische verklaring hiervoor kan met het volgende voorbeeld aangetoond worden. Indien men op 1 januari 2011 100 EUR wenst te beleggen gedurende 12 maanden en men heeft de keuze uit een klassiek spaarboekje met een rente van 3% of een obligatie met een rente van 3%, dan bezit men op 1 januari 2012 bij beide beleggingen 103 EUR. Belangrijk om weten is dat bij een obligatie de rente, die vermeld staat op het waardepapier, vastligt maar bij een klassiek spaarboekje niet. Kortom, de obligatie zal binnen een jaar altijd 103 EUR opleveren maar het spaarboekje niet noodzakelijk. Als in het voorbeeld op 2 januari 2011 de rente daalt naar 2% en rest van het jaar constant blijft op 2%, dan brengt uw spaargeld op 1 januari 2012 102 EUR op.

Vaststelling: Op 1 januari 2011 zijn een belegging in het spaarboekje en de obligatie evenveel waard, echter na de daling van de marktrente is de obligatie meer waard.