Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Financiële Vaardigheid De ICB Fiscale aspecten

Algemene fiscale aspecten

Algemene fiscale aspecten

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het fiscaal regime dat van toepassing is op de belegger en het fiscaal regime dat van toepassing is op de ICB. De ICB zelf zal de fiscale aspecten die eventueel op haar van toepassing zijn doorrekenen naar de belegger door deze kosten op te nemen in de "netto inventariswaarde".

Tevens wordt er ook ingegaan op de impact van de "Europese Spaarrichtlijn" voor de ICB's.

Voor het individueel pensioensparen (ook wel naar verwezen als het derde pijler pensioensparen) geldt een apart fiscaal regime, "klik hier".

 

Fiscaal regime in hoofde van de ICB

Jaarlijkse taks

Openbare ICB's naar Belgisch recht die een beroep doen op het spaarwezen in België zijn onderworpen aan een jaarlijkse taks. Concreet betekent dit dat alle Belgische ICB's die voorkomen op de lijst van de nationale "toezichthouder" aan deze taks onderworpen worden (institutionele ICB's en private privaks komen niet voor op deze lijst en dienen bijgevolg geen jaarlijkse taks te betalen). De ICB is de jaarlijkse taks verschuldigd vanaf de eerste januari volgend op de registratie bij de nationale toezichthouder. Hierbij wordt gekeken naar de registratie van de klasse van aandeel.

De belastbare basis, voor de betreffende ICB, wordt bepaald op basis van het netto uitstaande bedrag op 31 december van het voorafgaande jaar. Dit netto uitstaande bedrag wordt bekomen door het aantal stukken aangehouden voor rekening van Rijksinwoners te vermenigvuldigen met de "netto-inventariswaarde".

Opmerking BEAMA: Het aantal deelbewijzen voor rekening van Rijksinwoners = het totaal aantal deelbewijzen verminderd met het aantal deelbewijzen waarvoor de "distributeur" expliciet een attest kan neerleggen om aan te tonen dat deze verkocht werden aan niet-Rijksinwoners.

De jaarlijkse taks is gelijk aan 0,0925% van het netto uitstaande bedrag. Een uitzondering hierop vormen die klassen van aandelen waarmee de ICB zich enkel richt naar institutionele of professionele beleggers. Op deze laatste klasse van aandelen is een jaarlijkse taks van 0,01% verschuldigd.

Voor openbare ICB's naar buitenlands recht, met uitzondering van instellingen voor beleggingen in schuldvorderingen en niet bij de nationale toezichthouder geregistreerde aandelenklassen, geldt een gelijkaardige regeling, namelijk: een jaarlijkse taks van 0,0925% op het totaal van de in België uitstaande bedragen op 31 december van het voorafgaande jaar en dit vanaf hun inschrijving bij de nationale toezichthouder.

Opmerking BEAMA: Is de "distributeur" een niet-Belg, dan maken de deelbewijzen geen deel uit van de belastbare basis. Is de distributeur een Belg, dan maken de deelbewijzen deel uit van de belastbare basis. Indien er een negatieve omloop zou zijn, dan is de belastbare basis nul. Indien een Belgische bank louter als transit optreedt (en dus de deelbewijzen slechts tijdelijk in bezit heeft waarna ze worden doorgegeven), dan is er geen jaarlijkse taks verschuldigd.

 

Gemeenschappelijk beleggingsfonds versus beleggingsvennootschap

Een belangrijk onderscheid dat gemaakt moet worden, is na te gaan wat de "juridische indeling" van de ICB is. Voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen gelden immers andere fiscale regels dan voor beleggingsvennootschappen. Dit verschil vertaalt zich zelfs tot op het niveau van het fiscaal regime dat van toepassing is op de belegger (zie hieronder)

Gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn in onverdeeldheid opgericht en bezitten geen rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat ze fiscaal transparant zijn waardoor men rechtstreeks de belegger fiscaal zal belasten.

Beleggingsvennootschappen daarentegen bezitten wel een rechtspersoonlijkheid en zijn daardoor onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Echter, de vennootschapbelasting is bijna altijd nihil voor een beleggingsvennootschap aangezien er quasi geen belastbare materie is. De belastbare basis blijft immers beperkt tot het geheel van uitzonderlijke voordelen en tot de niet-aftrekbare beroepskosten en -uitgaven. Verder worden de beleggingsvennootschappen vrijgesteld van de Belgische roerende voorheffing voor inkomsten uit leningen, deposito's en buitenlands private equity (behalve voor de dividenden van Belgische aandelen).

 

Fiscaal regime in hoofde van de belegger

Vanaf 1 juli 2013 zijn naast de "ICB’s met Europees paspoort" ook de "ICB’s zonder Europees paspoort" onderworpen aan de meerwaardebelasting, voor zover ze beleggen in volgende categorieën:

  • 1° beleggingen die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG;
  • 2° financiële instrumenten en liquide middelen.

De bepalingen zijn niet van toepassing op de pensioenspaarfondsen (zij zijn immers onderworpen aan belasting volgens een "eigen stelsel").

 

Fiscaliteit verbonden aan het deelbewijs

Uit hoofde van de belegger zal er gekeken worden naar de categorie van aandelen, meer bepaald: betreft het een "distributie"-deelbewijs of een "kapitalisatie"-deelbewijs. Op basis van deze beslissing kan bepaald worden hoeveel « roerende voorheffing », « beurstaks » en « taks op meerwaarden » men dient te betalen.

Indien het een kapitalisatie-deelbewijs betreft, dan zal er geen dividend uitgekeerd worden en is bijgevolg geen roerende voorheffing verschuldigd. Er is wel 1,32% taks op beursverrichtingen verschuldigd op de "netto-inventariswaarde" bij uitstap uit de ICB, weliswaar gelimiteerd tot een bepaald maximum bedrag (sinds 2015 bedraagt dit 2.000 EUR).
Vervolgens dient men enkele criteria te doorlopen om te bepalen of men al dan niet belastingen dient te betalen op de gerealiseerde meerwaarden. Deze gerealiseerde meerwaarden worden bepaald als zijnde het verschil tussen de netto-inventariswaarde op moment van uitstap en de netto-inventariswaarde op moment van instap. De te doorlopen criteria zijn de volgende:

  • Stap 1.a: belegt het compartiment al dan niet voor meer dan 25% in vastrentende effecten:
    Indien het compartiment voor minder dan 25% belegt in vastrentende effecten, dan is er geen taks verschuldigd op de gerealiseerde meerwaarden.
    Indien het compartiment voor meer dan 25% belegt in vastrentende effecten, dan is er een taks van 25% verschuldigd op de gerealiseerde meerwaarden die voortkomen uit deze vastrentende effecten.

 

Indien het een distributie-deelbewijs betreft, dan zal er 25% roerende voorheffing verschuldigd zijn op de uitgekeerde dividenden. Er is wel geen taks op beursverrichtingen verschuldigd.

Opmerking: van de dividenden die aan een natuurlijk persoon worden uitgekeerd via een in België gevestigde financiële instelling of tussenpersoon zullen de roerende voorheffingen reeds afgehouden zijn op een bevrijdende manier. Echter, van de dividenden die worden uitgekeerd via een niet in België gevestigde financiële instelling of tussenpersoon, zullen de roerende voorheffingen nog niet zijn afgehouden. De belegger dient in dit laatste geval de dividenden op eigen initiatief te vermelden in de aangifte van zijn/haar inkomstenbelasting.

Voor de bepaling van eventuele taks op meerwaarden dient men de volgende criteria te doorlopen:

  • Stap 1.b: Voorzien de statuten van de ICB dat alle netto opbrengsten worden uitgekeerd:
    Indien de statuten van de ICB voorzien dat alle netto opbrengsten worden uitgekeerd, dan zijn er logischerwijze geen meerwaarden en is er ook geen taks op meerwaarden verschuldigd.
    Indien de statuten van de ICB niet voorzien dat alle netto opbrengsten worden uitgekeerd, dan kunnen er meerwaarden zijn en dient men over te gaan naar Stap 2.b.
  • Stap 2.b (idem aan Stap 1.a): belegt het compartiment al dan niet voor meer dan 25% in vastrentende effecten:
    Indien het compartiment voor minder dan 25% belegt in vastrentende effecten, dan is er geen taks verschuldigd op de gerealiseerde meerwaarden.
    Indien het compartiment voor meer dan 25% belegt in vastrentende effecten, dan is er een taks van 25% verschuldigd op de gerealiseerde meerwaarden die voortkomen uit deze vastrentende effecten.

 

Schematisch:

fiscaal regime voor de belegger

 

Opmerking: Bij verkoop is het saldo van de meer- en minwaarden m.b.t. het vastrentende gedeelte van de ICB vanaf 1 juli 2008 of vanaf een latere datum (indien de aankoop later gebeurde) onderworpen aan 25% RV. Wat betreft de ICB’s zonder Europees paspoort die in scope zijn gekomen op 1 juli 2013 is een inhaalbeweging voorzien door de toepassing van een lineair forfaitair percentage van 3% op de NIW van aankoop vermenigvuldigd met het percentage vastrentende effecten van de ICB (ofwel vanaf 1 juli 2008, ofwel vanaf moment van aanschaf als die datum na 1 juli 2008 ligt).

 

Fiscaliteit verbonden aan de overstap naar een ander compartiment binnen dezelfde ICB

Daarnaast kan een belegger ook beurstaksen verschuldigd zijn door over te stappen van een bepaald compartiment binnen een ICB naar een ander compartiment binnen deze ICB. Meer bepaald, indien overgestapt wordt van een kapitalisatie-deelbewijs naar een ander kapitalisatie-deelbewijs of naar een distributie-deelbewijs, dan is 1,32% beurstaks verschuldigd op de netto-inventariswaarde, weliswaar gelimiteerd tot een bepaald maximum bedrag (in 2015 bedroeg dit 2.000 EUR). Indien overgestapt wordt van een distributie-deelbewijs naar een ander distributie-deelbewijs of naar een kapitalisatie-deelbewijs, dan is er geen taks op beursverrichtingen verschuldigd.

 

 

De impact van de Europese Spaarrichtlijn

Naast het vrij verkeer van goederen en diensten, geldt er in Europa ook vrij verkeer van kapitaal. Om te voorkomen dat er een kapitaalvlucht zou ontstaan vanuit één EU-lidstaat naar een andere EU-lidstaat - om zo belastingen te ontduiken - werd de Europese Spaarrichtlijn in het leven geroepen. Deze Europese Spaarrichtlijn is van kracht sinds 1 juli 2005 en werd in België omgezet in nationaal recht via de wet van 17 mei 2004.

Concreet voorziet de Europese Spaarrichtlijn dat uitbetalende instanties (zoals banken) gevestigd in een EU-lidstaat, informatie moeten uitwisselen omtrent rentebetalingen die zij hebben overgemaakt aan uiteindelijke gerechtigden die in een andere EU-lidstaat wonen. De overheden van de verschillende EU-lidstaten geven deze informatie aan elkaar door zodat de uiteindelijke belastingplichtigen belast kunnen worden in overeenstemming met de fiscale wetgeving van de lidstaat waarin zij woonachtig zijn. Kortom, de verschillende EU-lidstaten kunnen hun eigen nationale fiscale regelgeving behouden en zij kunnen er zich van vergewissen dat er geen kapitaalvlucht zal plaatsvinden naar andere EU-lidstaten omdat deze laatste de nodige informatie zullen overmaken aan de EU-lidstaat waar de belastingplichtingen wonen.

Opmerking: De regel is dat de EU-lidstaten de nodige informatie over rente-inkomsten van EU-inwoners uit andere lidstaten aan elkaar doorgeven. Echter, voor Oostenrijk geldt er een overgangsregime gedurende dewelke dit land geen informatie doorgeeft aan de andere EU-lidstaten. Doch, dit land past tijdens dit overgangsregime een woonstaatheffing toe die 35% bedraagt. Deze woonstaatheffing is bovendien niet bevrijdend wat betekent dat een belastingplichtige nog steeds verplicht is om zijn rente-inkomsten uit een andere EU-lidstaat te vermelden op zijn personenbelastingaangifte. De ingehouden woonstaatheffing dient als een 'voorschot'. Indien er uiteindelijk te veel belastingen werden ingehouden via de woonstaatheffing, dan krijgt de belastingplichtige het verschil terug gestort. Indien er te weinig belastingen werden ingehouden via de woonstaatheffing, dan zal de belastingsplichtige het resterende verschil moeten bijstorten.

 

Er dienen vier voorwaarden vervuld te zijn opdat de Europese Spaarrichtlijn van toepassing is, meer bepaald:

  • Men dient een natuurlijke persoon te zijn;
  • Men dient woonachtig te zijn in een EU-lidstaat (of een afhankelijk/geassocieerd gebied - of een aangesloten derde land);
  • Men dient een rente te ontvangen zoals bedoeld in de Europese Spaarrichtlijn;
  • Men ontvangt deze rente in een andere EU-lidstaat dan diegene waar men woonachtig is (of een afhankelijk/geassocieerd gebied - of een aangesloten derde land).

 

Verduidelijking bij voorwaarde 3: (hierna volgt een zeer uitgebreide doch niet exclusieve lijst):

  • Rente op zichtrekeningen, spaarrekeningen en termijnrekeningen;
  • Coupons en aangroeiende rente van kasbons en achtergestelde certificaten, kapitalisatiebons, groeibons, obligaties, nulcouponobligaties, converteerbare obligaties, notes en commercial paper;
  • Coupons van een ICB waarvan het vermogen voor meer dan 15% belegd werd in vastrentende effecten en die gevestigd is ofwel buiten de EU ofwel binnen de EU en conform aan de "UCITS Richtlijn" (ICB's binnen de EU maar zonder Europees paspoort vallen tot nader order buiten deze Europese Spaarrichtlijn);
  • Meerwaarden die gerealiseerd worden bij de verkoop of terugbetalingen van deelbewijzen van een ICB voor zover het vermogen van deze ICB voor meer dan 25% belegd werd in vastrentende effecten en voor zover deze ICB gevestigd is ofwel buiten de EU ofwel binnen de EU en conform aan de UCITS Richtlijn.

Verduidelijking bij voorwaarde 4:

  • De volgende landen passen de informatie-uitwisseling toe: alle EU-lidstaten (uitgezonderd Luxemburg en Oostenrijk), Anguilla, Aruba, Kaaimaneilanden en Montserrat;
  • De volgende landen passen de woonstaatheffing toe: Oostenrijk, Britse Maagdeneilanden, Eiland Man, Guernsey, Jersey, Nederlandse Antillen, Turkse Eilanden, Caicos Eilanden, Andorra, Monaco, Liechtenstein en Zwitserland.