Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Financiële Vaardigheid De ICB Kernbegrippen en ICB types ICB's met kapitaalbescherming Werkwijze kapitaalbescherming

Werkwijze kapitaalbescherming

Wettelijk wordt kapitaalbescherming in het Koninklijk Besluit van 12 november 2012 gedefinieerd als zijnde een volledige bescherming van de inschrijvingsprijs op vervaldag. De hierna volgende tekst dient geïnterpreteerd te worden in het licht van deze definitie. Wanneer we spreken over de bescherming van de inschrijvingsprijs op vervaldag, dan bedoelen we de initiële inleg zonder rekening te houden met de eventuele (instap)kosten.

Om toe te lichten hoe producten met kapitaalbescherming werken en hoe zij de verbintenis kunnen waarmaken om op de vervaldag de inschrijvingsprijs terug te betalen, zullen we hierna drie factoren van naderbij bekijken.

 

1. Vooreerst grijpen we terug naar het concept ‘tijdswaarde van geld’. De tijdswaarde van geld drukt eenvoudig weg uit dat een belegger die vandaag 100 EUR investeert, binnen een jaar verwacht om meer dan 100 EUR terug te krijgen. Immers, 100 EUR vandaag is meer waard dan 100 EUR binnen 1 jaar. Het is de “inflatie” die ervoor zorgt dat geld zijn waarde verliest doorheen de tijd. Doordat geld een tijdswaarde heeft, zal een gedeelte van het rendement op een belegging dienen om deze tijdswaarde te vergoeden.

 

2. Naast de tijdswaarde van geld, speelt als tweede factor ook het risico van de belegging een determinerende factor in de bepaling van het rendement dat we behalen op onze belegging. Zo kan men verwachten dat het rendement op een overheidsobligatie uitgegeven door een zeer kredietwaardig land gemiddeld gezien lager zal zijn dan het rendement op een exotisch aandeel uit een ver land. Dit komt omdat er meer risico’s verbonden zijn aan het exotisch aandeel en de belegger in dit aandeel een gepaste vergoeding wil krijgen voor dit hogere risico (lees gepaste vergoeding als hogere vergoeding).

Een belangrijk risico dat bij producten met kapitaalbescherming speelt is het “kredietrisico/tegenpartijrisico”.

 

Kortom, de tijdswaarde van geld enerzijds en de risico’s verbonden aan het financiële instrument waarin men belegt anderzijds, bepalen in belangrijke mate het rendement van de belegging.

Bij vastrentende financiële instrumenten (zoals “obligaties”) wordt het rendement vooraf vastgelegd. Het is dit vooraf vastgelegd rendement dat ons toelaat om te verklaren hoe kapitaalbescherming werkt.

Meer bepaald: stel dat u vandaag 100 EUR belegt gedurende 1 jaar in een nulcouponobligatie met een rendement van 3%, dan krijgt u binnen 1 jaar 103 EUR. Of anders bekeken, indien we binnen 1 jaar willen uitkomen op een bedrag van 100 EUR, dan dienen we vandaag 97,09 EUR te beleggen aan een rentevoet van 3%. Dit mechanisme vormt een cruciale bouwsteen in de werkwijze van kapitaalbescherming. Indien u immers vandaag 100 EUR belegt in een product met kapitaalbescherming dat ernaar streeft u binnen 1 jaar minimaal uw initiële inleg van 100 EUR terug te bezorgen, dan kan de “beheervennootschap” van dit product met kapitaalbescherming bijvoorbeeld een obligatie aankopen aan 97,09 EUR met een rendement van 3%. Deze belegging zal binnen 1 jaar aangroeien tot 100 EUR zodat de terugbetalingvan de initiële inleg verzekerd is. Met de resterende 2,91 EUR kan de beheervennootschap andere financiële instrumenten aankopen om een bijkomend rendement na te streven. Normaal zullen dit niet-vastrentende effecten, zoals “opties”, zijn.

 

3. Een derde belangrijke factor in de werkwijze van kapitaalbescherming is de looptijd van het product met kapitaalbescherming. Met de looptijd is immers het “kapitalisatie-effect” – zijnde rente op rente – verbonden. Indien een “beheervennootschap” twee producten met kapitaalbescherming ontwikkelt, zijnde: een product ‘A’ met een looptijd van 1 jaar en een product ‘B’ met een looptijd van 10 jaar en de beheervennootschap bij beide producten de terugbetaling van de initiële inleg op de eindvervaldag nastreeft, dan heeft dit verschil in looptijd een impact op het bedrag dat de beheervennootschap moet reserveren om de kapitaalbescherming te verzekeren.

Stel, de beheervennootschap belegt in een nulcouponobligatie die een jaarlijks rendement van 3% oplevert, dan dient de beheervennootschap 97,09% van de initiële inleg van product ‘A’ in deze obligatie te beleggen. Voor product ‘B’ volstaat een initiële inleg van 74,41% in de nulcouponobligatie. Immers, 97,09 EUR groeit – met een jaarlijks rendement van 3% – binnen 1 jaar aan tot 100 EUR terwijl 74,41 EUR over een periode van 10 jaar – met een jaarlijks rendement van 3% – eveneens aangroeit tot 100 EUR.

Opmerking: naast de impact van het kapitalisatie effect, laat de looptijd zich ook voelen in de rendementsvoet zelf. Een obligatie met een looptijd van 10 jaar heeft – onder normale omstandigheden – een hogere rentevoet dan een obligatie met een looptijd van 1 jaar.

 

Hoe wordt de verbintenis van kapitaalbescherming op de vervaldag nagekomen?

De beheervennootschap van een product met kapitaalbescherming kan de verbintenis tot kapitaalbescherming op vervaldag nakomen door bijvoorbeeld bij de aanvang een gedeelte van de initiële inleg te beleggen in een vastrentend financieel product. In dit geval zal de beheervennootschap x% van de initiële inleg beleggen om de kapitaalbescherming van deze inleg op vervaldag veilig te stellen. De overige (100-x)% zal gebruikt worden om een bijkomend rendement op het product met kapitaalbescherming na te streven.

 

Methode 1: nulcouponobligaties

Een gebruikelijk vastrentend financieel product om voor de kapitaalbescherming te zorgen is een nulcouponobligatie. Deze obligatie keert geen jaarlijkse coupon uit maar ziet zijn waarde kapitaliseren volgens de rentevoet. Anders gezegd, een nulcouponobligatie van 86,26 EUR met een looptijd van 5 jaar en een rentevoet van 3% keert tussentijds geen jaarlijkse coupons uit, maar zal na 5 jaar zijn aangegroeid tot 100 EUR.

Indien de initiële inleg in het product met kapitaalbescherming 100 EUR bedroeg, dan bekomt men de kapitaalbescherming door 86,26 EUR te beleggen in deze nulcouponobligatie. De overige 13,74 EUR kan men beleggen in niet-vastrentende effecten.

 

Methode 2: termijnrekeningen/obligaties met coupon

In plaats van gebruik te maken van nulcouponobligaties, kan men hetzelfde resultaat ook bekomen door gebruik te maken van termijnrekeningen of obligaties met een coupon. Volgens dit systeem wordt – in het voorbeeld van een termijnrekening – het geïnvesteerde bedrag van de klant op een termijnrekening geplaatst waarbij de klant verzaakt aan de rente die deze termijnrekening oplevert. Met de rente die de klant afstaat, kan de beheervennootschap niet-vastrentende financiële instrumenten aankopen met het oog op een bijkomend rendement. Doordat het geïnvesteerde bedrag op de termijnrekening nominaal ongewijzigd blijft, bekomt men tevens de gewenste kapitaalbescherming.

De methode voor obligaties met coupons werkt gelijkaardig, namelijk: de initiële inleg wordt volledig gebruikt om obligaties aan te kopen. De klant verzaakt aan de coupons van deze obligatie waardoor de opbrengst van de jaarlijkse coupons door de beheervennootschap aangewend kan worden om te beleggen in niet-vastrentende effecten.

Cijfermatig: Indien men 100 EUR gedurende 5 jaar op een termijnrekening plaatst – die jaarlijks 3% opbrengt – en men verzaakt jaarlijks aan deze rente, dan zal na 5 jaar de initiële 100 EUR op de termijnrekening staan en bracht deze tussentijds 5 maal 3 EUR op aan rente. Indien we de tijdswaarde van deze rente in rekening brengen dan komt dit overeen met een bedrag van 13,74 EUR. Kortom: beide methodes leiden tot een equivalent resultaat, zijnde: een bescherming van de initiële inleg en een bedrag van 13,74 EUR waarmee niet-vastrentende financiële instrumenten kunnen aangekocht worden.

 

Bijkomend rendement naast kapitaalbescherming

Zoals hierboven toegelicht zal de “beheervennootschap” van een product met kapitaalbescherming enerzijds beleggen in vastrentende effecten (met het oog op de kapitaalbescherming) en anderzijds in niet-vastrentende effecten (om een bijkomend rendement na te streven).

Binnen de categorie van de niet-vastrentende effecten zal de beheervennootschap gebruik maken van afgeleide producten, zoals “put” en “call” opties. Deze producten laten immers toe om tegen relatief lage kosten opbrengsten te genereren.

Bij een call optie heeft de koper het recht om een effect te kopen tegen een vooraf bepaalde prijs. De verkoper van een call optie heeft de verplichting om het effect te verkopen tegen de vooraf bepaalde prijs indien de koper zijn optie uitoefent. De koper van de call optie betaalt de verkoper van de call optie een premie voor deze keuzemogelijkheid (= al dan niet de call optie uitoefenen). Deze optiepremie bedraagt een fractie van de waarde van het effect waarop de optie slaat en net hierdoor kan men tegenrelatief lage kosten toch een potentieel grote opbrengst bekomen.

Bij een put optie heeft de koper het recht om een effect te verkopen tegen een vooraf bepaalde prijs. De verkoper van de put optie heeft de verplichting om het effect te kopen tegen de vooraf bepaalde prijs indien de koper van de put optie zijn recht uitoefent. Ook hier betaalt de koper van de put optie aan de verkoper ervan een premie omdat hij een keuzemogelijkheid heeft.

Het verschil tussen een put en call optie heeft te maken met wat men verwacht dat de markt zal doen. De koper van een call optie verwacht een stijging van de waarde van het effect in de markt. De koper van een put optie verwacht een daling van de waarde van het effect in de markt.

Door een combinatie van call en put opties te kopen en te verkopen kan men diverse patronen uitwerken.

Illustratieve werkwijze opties: stel dat een aandeel ‘XYZ’ vandaag noteert aan 10 EUR. Ik koop op dit aandeel een call optie waarbij ik het recht krijg om dit aandeel binnen een maand nog steeds aan 10 EUR te kopen. Tegelijk verkoop ik een call optie op ditaandeel waarbij ik er mijzelf toe verbind om binnen een maand dit aandeel aan 12 EUR te leveren indien de koper van mijn call optie dit wenst.

  • Indien binnen een maand dit aandeel noteert aan minder dan 10 EUR, dan zal ik mijn call optie niet uitvoeren. Immers ik kan het aandeel op de markt kopen aan minder dan 10 EUR terwijl ik 10 EUR zou moeten betalen indien ik mijn call optie zou uitvoeren.
  • Indien binnen een maand dit aandeel noteert aan meer dan 10 EUR maar minder dan 12 EUR, dan zal ik mijn call optie uitvoeren. Hierdoor kan ik het aandeel (bij de verkoper van de call optie) verwerven aan 10 EUR en kan ik het onmiddellijk terug verkopen aan de geldende marktprijs. Het verschil tussen de marktprijs en 10 EUR is mijn opbrengst.
  • Indien binnen een maand dit aandeel noteert aan meer dan 12 EUR, dan zal ik mijn call optie uitvoeren en het aandeel kopen aan 10 EUR. Echter, de koper van mijn call optie zal ook zijn optie uitvoeren waardoor ik verplicht wordt om het aandeel aan 12 EUR te leveren. Het verschil tussen de uitoefenprijs van beide opties (zijnde 2 EUR) is mijn opbrengst.

    In elk van deze drie scenario’s dien ik wel nog de call optiepremie die ik betaalde als kost te aanzien en de call optiepremie die ik ontving als opbrengst te aanzien.

Bovenstaande illustratie geeft dus weer dat ik, via het kopen en verkopen van call opties, bekomen heb dat ik niet meer dan 10 EUR moet betalen voor aandeel ‘XYZ’ maar ook niet meer dan 12 EUR zal ontvangen voor aandeel ‘XYZ’.

 

In geval van producten met kapitaalbescherming zal de beheervennootschap vooral werken met opties die een “index”of korf van aandelen te volgen. Door een combinatie van call en put opties te kopen en te verkopen op een bepaalde index, kan de beheervennootschapeen opbrengstpatroon uitwerken. Een andere combinatie van call en put opties zal tot een ander opbrengstpatroon leiden!

Het is belangrijk om te weten dat een beheervennootschap voor elk product met kapitaalbescherming slechts één opbrengstpatroon ontwikkelt en dat dit patroon wordt opgesteld in functie van (het risicoprofiel van) de beleggers die men met dit product metkapitaalbescherming wil aanspreken.

 

Totaalbeeld van de werking van een kapitaal beschermd product

De belegger belegt kapitaal in het fonds.
Het fonds plaatst het kapitaal in een vastrentende belegging.
Nulcouponobligatie methode:
Het fonds belegt x% van het kapitaal in een nulcouponobligatie.
Het fonds heeft nog (100-x)% van het kapitaal om te beleggen in opties.
Termijnrekening/couponobligatie methode:
Het fonds belegt 100% van het kapitaal in een termijnrekening of couponobligatie.
Het fonds ontvangt rente-inkomsten uit deze termijnrekening/couponobligatie en belegt deze in opties.
Op de vervaldag ontvangt het fonds de eventuele meerwaarde uit de opties (van de tegenpartij) EN ontvangt het fonds het initieel ingelegde kapitaal uit de vastrentende beleggingen.
De belegger ontvangt op de vervaldag zijn oorspronkelijke kapitaal aangevuld met de eventuele meerwaarde uit de opties (na kosten).

 

Fictief cijfer voorbeeld

Indien u als potentiële belegger op 1 januari 2012 100 EUR zou beleggen in een product met kapitaalbescherming met een looptijd van 8 jaar, dan kan de beheervennootschap bijvoorbeeld de volgende financiële producten kopen:

  • Een nulcouponobligatie ‘AAA’ ter waarde van 81,31 EUR met een looptijd van 8 jaar – die vervalt op 31 december 2019 – en een rentevoet van 3%. Deze nulcouponobligatie zal tegen eind december 2019 zijn aangegroeid tot 100 EUR zodat de initiële inleg metzekerheid bekomen zal worden;
  • Een call optie op de index ‘BBB’ tegen een uitoefenprijs van 110 EUR eind december 2019. In de veronderstelling dat deze index ‘BBB’ op 1 januari 2012 genoteerd staat aan 100 EUR, dan zou de optieprijs op deze call optie 9,345 EUR kunnen bedragen.

 

Gezien de nulcouponobligatie 81,31 EUR kost, kan de beheervennootschap met het resterende bedrag – 18,69 EUR – 2 keer de bovenstaande call optie op de index ‘BBB’ kopen. De karakteristieken van dit product met kapitaalbescherming zijn de volgende:

  • De belegger ontvangt op de eindvervaldag minstens zijn initiële inleg terug, zijnde 100 EUR;
  • Daarnaast ontvangt de belegger 2 maal het verschil tussen de marktprijs van de index ‘BBB’ op 31 december 2019 en 110 EUR (de uitoefenprijs van de call optie), indien de marktprijs van de index ‘BBB’ eind december 2019 meer waard is dan 110 EUR.

 

Stel dat de index ‘BBB’ eind december 2019 aan een marktprijs van 50 EUR noteert (een halvering ten opzicht van 1 januari 2012), dan ontvangt de belegger van het product met kapitaal bescherming 100 EUR (zijnde zijn initiële inleg).

Echter, stel dat de index ‘BBB’ eind december 2019 aan een marktprijs van 150 EUR noteert (een stijging met 50% ten opzichte van 1 januari 2012), dan ontvangt de belegger van het kapitaal beschermd product 180 EUR (zijnde zijn initiële inleg van 100 EURvermeerdert met 2 maal het verschil tussen 150 EUR en 110 EUR).

 

Belangrijke weetjes

Waardebepaling van opties

De waarde van een optie bestaat uit twee delen, namelijk: de intrinsieke waarde aangevuld met de tijdswaarde.

Hierbij geeft de intrinsieke waarde van een optie de waarde weer alsof deze optie nu op vervaldag zou zijn.

De tijdswaarde van een optie vervat echter de invloed van de resterende tijd tot aan de vervaldag. Hoe korter een optie bij vervaldag komt, hoe kleiner het belang van de tijdswaarde wordt.

De berekening van de intrinsieke waarde van een optie is vrij eenvoudig uit te voeren. De berekening van de impact van de tijdswaarde vergt echter de aanwending van wiskundige modellen en financiële theorieën. Hierdoor is de berekening van de totale waarde van een optie die nog enige tijd verwijderd is van haar vervaldag geen sinecure.

 

Berekening van de waarde van een product met kapitaalbescherming vóór vervaldag

Het is belangrijk om op te merken dat de kapitaalbescherming enkel op de vervaldag geldt. Immers, bij de nulcouponobligatie methode zal de vastrentende belegging enkel op de vervaldag zijn aangegroeid tot de initiële inleg. Bij de termijnrekening/couponobligatie methode komt de initiële inleg pas op de vervaldag terug vrij.

 

De berekening van de waarde van een product met kapitaalbescherming vóór vervaldag is dan ook geen eenvoudige opgave. Enerzijds zijn er veel factoren die de waarde van de diverse opties vóór vervaldag bepalen. Anderzijds beïnvloedt de rentestand de waarde(ring) van het vastrentende gedeelte in positieve of negatieve zin.

Zo wordt de waarde van de opties onder meer beïnvloed door de ontwikkeling van de beurskoersen, de koersschommelingen (volatiliteit) van de onderliggende aandelen, de rentestand, ….
Deze factoren kunnen al dan niet een gunstige invloed hebben op het optiegedeelte. Meer bepaald:

  • Als de beurs stijgt, stijgt ook de waarde van de call-opties.
  • Als de schommelingsgraad van de aandelen toeneemt, stijgt de waarde van de call-opties eveneens.
  • Als de rente stijgt, neemt de waarde van de call-opties toe. Maar de gestegen waarde van de opties wordt in dit geval wel gedeeltelijk tenietgedaan want de rentestijging beïnvloedt de waarde van de optie positief, maar zorgt voor een “(tijdelijke) waardedaling” van het vastrentende gedeelte van het fonds.

 

Kopen of verkopen van een product met kapitaalbescherming vóór vervaldag

Een product met kapitaalbescherming verkopen vóór vervaldag kan in bepaalde situaties opportuun zijn, ondanks een mogelijk waardeverlies (=tussentijds kan de belegger geen gebruik maken van de ingebouwde kapitaalbescherming).

Meer concreet, indien men een product met kapitaalbescherming heeft aangekocht en halverwege de looptijd een beurscrash optreedt, dan zal de index die de onderliggende waarde van het product vormt, zwaar in waarde dalen. Indien men ervan uitgaat dat de index nadien terug in belangrijke mate zal stijgen, dan kan het opportuun zijn om dit product met kapitaalbescherming vroegtijdig te verkopen en een nieuw product met kapitaalbescherming aan te kopen gezien dit laatste product een herneming van de markten onmiddellijk volgt.