Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Statistieken Lange termijn Geschiedenis van de Belgische ICB-sector

Geschiedenis van de Belgische ICB-sector

Jaren 40 en 50

De Belgische geschiedenis van het collectief beleggen gaat terug tot het midden van de vorige eeuw. Het eerste gemeenschappelijk beleggingsfonds naar Belgisch recht werd opgericht in 1946 voor een periode van 15 jaar. De bedoeling was om door risicospreiding en professioneel beheer verschillende kleine spaarders samen te laten profiteren van schaalvoordelen.

Een gedetailleerde regelgeving voor beleggingsfondsen kwam er echter pas meer dan 10 jaar later, met de wet van 27 maart 1957 en het koninklijk besluit van 22 april 1958. Daarmee was België het eerste Europese land met een eigen specifieke wetgeving voor de gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Deze fondsen hadden geen rechtspersoonlijkheid, bestonden uit een onverdeeldheid en stonden onder het toezicht van de toenmalige Bankcommissie.

Op het einde van de jaren 50 bestonden er reeds 9 beleggingsfondsen naar Belgisch recht die werden beheerd door 4 beheervennootschappen. Hun globale vermogen bedroeg, uitgedrukt in Belgische frank, 4 miljard (100 miljoen EUR).

Daarnaast kreeg in 1959 voor het eerst een fonds naar Luxemburgs recht de toelating om zijn deelbewijzen in België te verkopen.

Jaren 60 en 70

De ontwikkeling van het aantal beleggingsfondsen tijdens de jaren 60 en 70 kende een vrij vlak verloop. De jaren 70 waren gekenmerkt door slechte resultaten op de financiële markten. Twee petroleumcrisissen, oplopende inflatie en een lage economische groei zorgden voor heel wat ontgoochelingen bij de beleggers. Einde 1979 waren er nog slechts 8 fondsen naar Belgisch recht, terwijl 14 buitenlandse fondsen in België werden verdeeld. De netto activa van de Belgische fondsen bleven gering, evenals de bedragen van hun intekeningen en terugbetalingen. De fondsen naar buitenlands recht daarentegen konden, voornamelijk in het begin van de jaren 70, belangrijke nieuwe kapitalen ophalen. Op het einde van de jaren 70 vertegenwoordigden zij meer dan 90 % van de beleggingsinstellingen op de Belgische markt.

Jaren 80

In 1981 wilde de overheid de financiële structuur van de Belgische ondernemingen verbeteren. Tijdens de crisisjaren 70 hadden de Belgische bedrijven zich immers vooral met schulden gefinancieerd.

De regering nam 2 soorten stimulerende maatregelen: enerzijds gaf ze fiscale voordelen aan ondernemingen die kapitaalverhogingen doorvoerden; anderzijds kreeg de Belgische belastingbetaler de mogelijkheid om in de periode 1982-1985 onder bepaalde voorwaarden de aankoop van aandelen van Belgische ondernemingen van het belastbaar inkomen af te trekken. In deze context verscheen het volmachtenbesluit, het koninklijk besluit nr. 15 van 9 maart 1982, grotendeels geïnspireerd door de Franse Monory-wetgeving. De aankoop van de aandelen kon gebeuren via de daartoe erkende beleggingsfondsen, die voor minstens 60 % in Belgische aandelen belegden (nadien opgetrokken tot 75 %). Het volstond om de deelbewijzen van deze fondsen gedurende 5 jaren te bewaren om van het volledige belastingvoordeel te kunnen genieten.

De negen fondsen, de zogenaamde "Cooreman-De Clercqfondsen", die in dit kader werden opgericht, kenden een groot succes. De forse groei van de Belgische beleggingsinstellingen in de jaren 80 wordt in belangrijke mate verklaard door deze fiscale maatregelen van de overheid, al mag die ontwikkeling niet los worden gezien van het gunstige verloop van de economie en de beurs.

Tussen 1982 en 1985 werden voor nagenoeg 60 miljard BEF (1,5 miljard EUR) netto nieuwe intekeningen in deze aandelenfondsen genoteerd. Per einde 1988 was er in totaal voor 110 miljard BEF (2,75 miljard EUR) geïnvesteerd in deze aandelenfondsen.

Het belastingvoordeel was echter vanaf het begin als uitdovend bedoeld en de "Cooreman-De Clercqfondsen" liepen op het einde van de jaren 80 dan ook snel leeg.

In 1986 werd een nieuw wettelijk kader, met een gunstige fiscale regeling, uitgewerkt voor specifieke beleggingsfondsen in het kader van de opbouw van individuele pensioenreserves: het koninklijk besluit van 22 december 1986 met betrekking tot de pensioenspaarfondsen. Deze structuur bestaat tot op heden in ons land. Voor personen tussen 18 en 64 jaar kunnen de gespaarde bedragen aanleiding geven tot een belastingvermindering. Pensioenspaarfondsen dienen bepaalde beleggingsregels na te leven.

In 1985 bereikte de Raad van Ministers een akkoord rond een Europese reglementering: de richtlijn 85/611/EEG van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde Instellingen voor Collectieve Belegging in Effecten (ICBE’s), nadien gewijzigd door de richtlijn 88/220/EEG van 22 maart 1988. Doelstelling van de richtlijn was het crëeren van een open Europese markt voor ICBE’s.

Vanaf 1986 werden - in het kader van de vrijmaking van de Europese markt voor beleggingsinstellingen - aandelen en deelbewijzen van buitenlandse beleggingsfondsen en beleggingsvennootschappen in België gecommercialiseerd. Reeds met de wet van 30 maart 1988 bracht Luxemburg zijn nationale wetgeving in overeenstemming met de Europese richtlijn. (België volgde pas 2 jaar later in 1990 en 1991).
De Luxemburgse beleggingsinstellingen kenden in ons land, mede door hun voordelig fiscaal statuut, groot succes. Er werden voornamelijk beleggingsinstellingen (SICAVs) die investeren in vastrentende waarden (monetaire en obligatie-ICB’s), opgericht op initiatief van Belgische banken. Door hun succes was het aandeel van de Luxemburgse beleggingsinstellingen op de Belgische markt einde 1990 opgelopen tot meer dan 80 %.

Jaren 90

Een eerste effect van de nieuwe Belgische Wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten en het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging was de omvorming van de meeste Belgische beleggingsfondsen (met uitzondering van de pensioenspaarfondsen) tot Belgische beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEKs).
Een andere verklaring voor de opkomst van de Belgische BEVEK in het begin van de jaren 90 is fiscaal geïnspireerd. Bij de oprichting van een aandelen-ICB is het immers, fiscaal gezien, interessant te opteren voor het statuut van Belgische BEVEK (recuperatie van de roerende voorheffing op Belgische aandelen).

De Belgische markt van instellingen voor collectieve belegging ontwikkelde zich zeer sterk in de jaren 90 met tal van vernieuwingen en innoverende constructies in het productenaanbod.